Oefenen tegen racisme

Als kind was ik enorm geïnteresseerd in zielige kindjes in de ‘Derde Wereld’, zoals dat toen heette. Mijn ouders kregen blaadjes van goede doelen-organisaties en ik knipte daar plaatjes uit. Voor later zag ik mezelf in een heldenrol in een Afrikaans weeshuis, de jungle van Papua Nieuw-Guinea (al aarzelde ik of ik sagowormen wilde eten) of op de vuilnisbelt van Manila.

Catootje
Toen las ik een strip van Jan, Jans & de kinderen, achterop de Libelle van mijn oma. Catootje zit huilend bij haar vader op schoot. Ze vertelt over het nieuwe jongetje in de klas en snikt beschaamd dat ze hem niet aardig vindt. Jan snapt het probleem niet zo; dat kán toch? ‘Maar’, huilt Catootje, ‘het is een zwárt jongetje.’

Dat maakte zoveel indruk op me dat ik het dus nog altijd weet. Het doorbrak mijn eenvoudige schema van ‘zwarte mensen zijn zielig en onschuldig en ik ga ze helpen’.

Krampachtig normaal doen
Later leerde ik wat racisme is. Ik leerde mensen van over de hele wereld kennen en ontwikkelde een diepe afkeer van wit superioriteitsgevoel. Als student ging ik zelfs een keer demonstreren. Volledig verloren liep ik daar een uurtje tussen allemaal mensen die óók tegen racisme waren. Ik had niet het idee dat het veel zoden aan de dijk zette.

Sindsdien ben ik van mening dat met een bordje lopen niet zoveel zin heeft. Roepen dat ik tegen racisme ben, is zo’n open deur dat het onwaarachtig voelt. Ik doe juist gewoon, waarbij het risico bestaat dat het weer net iets te krampachtig overkomt.

Toen ik in Rotterdam ging wonen, werd dat wel gemakkelijker trouwens. Nabijheid, in de tram, mijn voetbalteam en met mijn collega’s, maakte de omgang met mensen van kleur eindelijk echt gewoon. En inderdaad, de meesten zijn heel aardig en anderen niet. Catootje had het ook al gemerkt.

‘You will be surprised’
Mijn eigen kinderen groeiden gelukkig op in een gemengdere samenleving dan ik. Als ik de kans kreeg, nodigde ik collega’s van over de hele wereld thuis uit. Zo kwam ook Julius Onen uit Uganda een middag bij ons. We deden een spelletje Carcassonne, toen mijn jongste, een jaar of vijf, ineens vroeg: ‘Mam, hoe komt het eigenlijk dat de meeste mensen wit zijn, maar sómmige mensen zwart?’ Ik vertaalde de vraag en Julius schoot in de lach. “Please, come visit us one day, you will be surprised’, lachte hij. Ik vind het van een ontroerende eenvoud, dat deze kleuter ineens dacht: ‘hé, wat apart eigenlijk, dat ons velletje zo’n verschillende kleur heeft’. Zonder oordeel, gewoon geïnteresseerd.

Dat vanzelfsprekende, daar ben ik zelf nog niet helemaal. Onbewust racisme in mezelf (‘hé, de dokter is zwart’) is moeilijk uit te roeien. Ooit leerde ik een oefening – toen over stereotype man/vrouw-beelden, maar ook hier toe te passen. Realiseer je, zonder nadenken, wie je voor je ziet bij een aantal woorden, bijvoorbeeld
– accountant
– schoonmaker
– advocaat
– journalist
– rapper
– stewardess
– docent

Ik moet toegeven dat ik schrik van mijn eigen beelden. Natuurlijk, als ik er ook maar één seconde over nadenk, snap ik dat iedereen van welke kleur dan ook, deze beroepen kan beoefenen. Maar de stereotypen zijn er toch.

Juist dat racisme ‘dat echt niet zo kwaad bedoeld is’ zit diep in mezelf én in onze samenleving. De docent per ongeluk aanzien voor de schoonmaakster. De generalisaties (‘ze’ kunnen goed dansen / voetballen / koken). Zwarte Piet, vroeger. Niet kwaad bedoeld meestal, maar zo kwetsend. Uiteindelijk leidt het tot zeer kwalijke praktijken in het optreden bij bijvoorbeeld de politie en de belastingdienst. Krijgen kinderen een lager schooladvies, geen stage en afwijzingen bij sollicitaties vanwege hun naam. Als we dit accepteren, geeft het uiteindelijk ruimte aan degenen die het wél daadwerkelijk kwaad bedoelen.

Mooie auto
Een paar jaar geleden werd rapper Typhoon aangehouden omdat hij als donkere jonge man in een mooie auto reed. Dat was schokkend. Nog veel schokkender vond ik alle reacties van gekleurde jongemannen die vervolgens in de media verschenen: ze hadden dat allemaal zo vaak meegemaakt.

What the heck? Ik ben nog nooit aangehouden. Ik heb ook niet zo’n mooie auto eigenlijk, maar ik vermoed dat ik in het duurste modelletje nog altijd vrolijk voorbij gewuifd word door de politie. Ik was boos, maar wist niet goed wat ik moest doen. Ik kan moeilijk protesteren dat ze mij óók moeten aanhouden.

Maar ‘gewoon doen’ zonder me verder uit te spreken is niet langer genoeg. Op het gevaar af dat het opportunistisch overkomt óf dat mijn digitale bordje opnieuw wat verloren voelt: Black Lives Matter.

Verbinding zoeken
Mijn vak is communicatie, mijn middel is taal, mijn doel is verbinding creëren. Binnen teams en organisaties en daarbuiten.

Dat is nooit zomaar gefikst. Het is zoeken naar de juiste woorden. Empathie, openheid, interesse in elkaar, luisteren en zelfreflectie helpen ook. Het is kritisch naar jezelf willen kijken, fouten maken, elkaar vragen stellen, durven aanspreken en correctie accepteren.

Ik denk, ik hoop, dat als we met elkaar deze basale vaardigheden blijven oefenen, dat we elkaar steeds beter weten te vinden. Elkaar steeds beter als mens leren kennen, met al onze persoonlijke eigenaardigheden en kwaliteiten, en gezins-, religieuze en culturele achtergronden. Dan worden groepen die eenvormig lijken steeds meer een verzameling individuen.

Communicatie is ook een bottom line van fatsoen met elkaar afspreken. Als je je daar niet aan wenst te houden, word je gecorrigeerd en uiteindelijk weggestuurd.

In de samenleving hebben we ook zo’n bottom line. Die staat in artikel 1 van de Grondwet. Wens je je daar niet aan te houden, dan word je gecorrigeerd. Dàt is wat die demonstraties aan het doen: ze corrigeren het gezag en wijzen ze op de bottom line van onze samenleving.

Ik ben ervan onder de indruk en ik voeg mijn eigen bescheiden stem bij. Graag zoek ik mee naar hoe we als samenleving stappen kunnen zetten naar een inclusieve, veilige maatschappij. Het vraagt oefening en doorzettingsvermogen. Laten we nooit opgeven.

NB1. ik heb geprobeerd zorgvuldig te formuleren, maar ben me ervan bewust dat ik misschien woorden gebruik die niet passend zijn of kwetsen. Dat is niet mijn bedoeling, integendeel. Laat het me alsjeblieft weten, ik leer graag bij!

NB2. Om verder te lezen: https://www.oneworld.nl/lezen/discriminatie/racisme/dos-en-donts-voor-witte-bondgenoten/ en www.withuiswerk.nl.

Van vluchtelingenkamp naar Zuidas

Wat voor afslag heb ik genomen in mijn leven? Van linkse student met hennahaar in een oversized, zelfgebreide trui (zwart? ja dûh!) naar rokje-bloesje, van vluchtelingenkamp in de Ethiopische woestijn naar de Zuidas, van rurale ontwikkelingssociologie naar stedelijke gebiedsontwikkeling. Het is gemakkelijk om de verschillen tot hilarische proporties op te blazen, maar mij vielen vooral ook overeenkomsten op.

1. Passie voor je vak

Het is een genot om te luisteren naar mensen die verstand van zaken hebben en enthousiast zijn over hun werk. Ogen gaan stralen, handen meebewegen en er komen voorbeelden, nuances en forse uitdagingen met mogelijke oplossingen langs.

Dat geldt net zo goed voor mensen die hulp distribueren op enkele kilometers van de frontlinie met IS als voor mensen die sociaal-vriendelijke, klimaatneutrale wijken willen bouwen. Beide takken van sport zijn complex. Een professional geniet daarvan. En ik geniet ervan te mogen samenwerken met mensen die betrokken zijn bij en goed zijn in hun werk.

2. Mensenwerk

Alleen maar goedheid bij die idealisten in de hulpverlening en dollartekens in de ogen van de projectontwikkelaar? Nou nee. Gewone mensen eigenlijk. Zowel aan de positieve kant – humor, inzet, enthousiasme, aardig en behulpzaam -, als aan de wat lastige kant – niet iedereen is altijd aardig en onbaatzuchtig, zeg maar. Ook de kwetsbare kant is overal: onzekerheid, fouten maken en er soms gewoon even doorheen zitten. Hé, gewone mensen dus. Fijn eigenlijk.

Het kan aan mij liggen, maar de positieve kant zie ik het vaakst. Overal. De meeste mensen deugen. Althans, de meeste mensen deugen grotendeels.

3. Een betere wereld

Soms expliciet en soms tussen de regels door hoor ik de wens om bij te dragen aan een betere wereld. Een wereld waar vrede, recht en duurzaamheid gangbaar zijn. Waar een prettig huis en een plezierige, veilige omgeving voor iedereen normaal is. Waar we rekening houden met elkaar en leven op een manier die niet ten koste gaat van de aarde en niet inteert op de toekomst.

Maar ja. “Uiteindelijk is het natuurlijk alleen maar een gebouw”, verzuchtte de één. “Het is maar een druppel op de gloeiende plaat”, somberde de ander. Ja, als we zo beginnen kunnen we er net zo goed meteen mee ophouden.

Maar dat doen ze niet. Met een gezonde dosis realisme gaan ze toch door, gewoon, omdat het fijn is om je vak uit te oefenen en als je dan toch bezig bent, dan maar beter voor mooie , hoopvolle toekomstperspectieven. Met inzet van kwaliteiten, expertise en idealen. Op de puinhopen van Aleppo en aan de Zuidas.