Drie randvoorwaarden voor communicatie die lekker loopt

De op een-na-ergste vraag tijdens een sollicitatiegesprek vind ik: waar wil je over vijf jaar zijn? Omdat ik nog in de fase zit van ‘wat wil ik later worden als ik groot ben’, heb ik geen vlot antwoord op die vraag en voel ik me dom en weinig ambitieus. Dat ben ik allebei niet (ik zou zeggen: integendeel).

Dus waarom vind ik die vraag zo erg? Omdat ‘ie niet voldoet aan de volgende drie basale voorwaarden voor goede communicatie. Wil je graag dat een gesprek mislukt, heb ik ook een paar anti-tips voor je.

1. Gelijkwaardigheid
Communicatie gaat stromen als je gelijkwaardige gesprekspartners bent, wat niet hetzelfde is als gelijk. Gewoon, omdat je elkaar als mens respecteert en je de ander ziet als iemand die jou iets te brengen heeft. In een sfeer van onderlinge waardering loopt het gesprek meteen een stuk soepeler.

De anti-tip hier is om alleen maar zwijgend een aantekening te maken in reactie op een antwoord. Dat is geen gesprek, dat is een examen.

Ook als er verschil is in hiërarchie kun je gelijkwaardig zijn. Dat vraagt wel inspanning van beide partijen. Van degene met een hogere functie dat ‘ie ruimte geeft, geruststelt en aanmoedigt, van degene in een lagere positie dat ‘ie zich volwassen en autonoom durft op te stellen.

2. Vertrouwen
Ik vind de vraag waar ik over vijf jaar wil zijn heel persoonlijk. Het raakt aan onzekerheden over wat ik kan en aan persoonlijke omstandigheden. Voordat ik daar iets over durf te zeggen, is er voldoende vertrouwen nodig. Ik moet weten dat mijn antwoord veilig is bij je. Maar ook dat het zoeken naar een antwoord, twijfelen, herformuleren, herstellen of zelfs helemaal geen antwoord allemaal oké is.

Anti-tip: halverwege afbreken en zeggen: ‘nou, het is wel handig als je een béétje weet waar je naar toe wilt’. Yeah right.

Als dat vertrouwen er niet is, heeft het gesprek eigenlijk geen zin. Want stel dat ik met een mooi gepolijst antwoord kom, dan is dat omdat ik denk dat mijn gesprekspartner dat wil horen. Daar heb je toch niets aan? Ook als ik niet uit mijn woorden kom omdat ik me niet prettig voel, krijg je niet de informatie die je wilt. Dat brengt me bij de derde voorwaarde.

3. Gedeeld doel
Waarom praat je eigenlijk met elkaar? Als je niet hetzelfde doel hebt met het gesprek, verstoort dat een soepele communicatie omdat je allebei naar iets anders toewerkt. Bij een sollicitatiegesprek is dat wel heel duidelijk: de sollicitant heeft het doel om de baan te krijgen en de sollicitatiecommissie wil vooral beoordelen of de kandidaat geschikt is. Ook bij vergaderingen leveren verschillende doelen vooral stroefheid op: de leidinggevende wil een sfeer van collegialiteit creëren, collega A is er alleen maar omdat het moet, collega B wil zijn successen delen en collega C wil zo snel mogelijk een besluit zodat zij verder kan.

Dus wat zit je daar dan te doen met elkaar? Je gooit elkaar stukjes informatie toe, die de ander al dan niet kan gebruiken bij het doel. En dan maar hopen dat het werkt.

De anti-tip is hier om het vooral nog harder te proberen. Het effect daarvan is dat je alleen maar nog pijnlijker langs elkaar heen praat.

Dit is een hele lastige om op te lossen tijdens het gesprek zelf. Je moet namelijk schakelen tussen de inhoud van het gesprek en de manier waarop. Maar stel dat het lukt, dan is het wel een mooie opening van ineens een gesprek op een ander niveau. Dat kan een stuk frustratie wegnemen en dat lucht ontzettend op. Tegelijk creëer je daarmee vertrouwen en gelijkwaardigheid.

Nog beter is natuurlijk, helemaal in een formele setting, vooraf een gezamenlijk doel te formuleren. Zelfs bij een sollicitatie zou dat ontspanning kunnen geven: “we zijn hier om samen met jou te onderzoeken of je een geschikte kandidaat bent, of je past in de organisatie en in het team. Een goede match is fantastisch, maar als je hier niet op je plek zit, is dat voor beide partijen niet prettig. Dus laten we dat samen bekijken.” Ik zou dat prettig vinden; er ontstaat een gezamenlijk doel waar je je allebei voor inzet.

Een goed gesprek
Valt je iets op? De drie voorwaarden zijn goed samen te vatten met ‘gewoon een goed gesprek’. Respectvol, eerlijk, in vertrouwen, met waardering en interesse. Zo moeilijk is het niet om professioneel te communiceren. Of toch?
Deze drie voorwaarden gelden voor alle vormen van communicatie. Face to face of op afstand, één op één of in groepen. Informeel of langs hiërarchische lijnen. Met een specifieke groep of aan algemeen publiek.

Leg de drie voorwaarden maar eens naast diverse communicatiemomenten en kijk of het verklaart waarom het soepel liep of juist niet.

ps. oh ja, de allerergste vraag die ik tijdens een sollicitatiegesprek ooit kreeg: ‘Kook je uit je hoofd of uit een kookboek?’ Ik voelde een diepe woede om die vraag. Hoe dúrfde ‘ie conclusies te trekken over mijn professionele capaciteiten op basis van hoe ik me in de keuken gedraag?

Die vraag valt bij nader inzien eigenlijk wel mee. In andere situaties praat ik graag over koken en eten. Maar omdat in dit gesprek vertrouwen, gelijkwaardigheid en een gedeeld doel ontbraken, hoop ik sindsdien alleen maar om degene nog ’s met een van mijn kookboeken op zijn hoofd te timmeren. Dat was vast niet de gewenste uitkomst van dat gesprek.

Drie communicatielessen van een kleuter

“Als je vier bent, ga je naar school.” Veel duidelijker kon ik het niet vertellen. Toch was ik een belangrijk deel van de boodschap vergeten.

Hij heeft het niet van mij, maar mijn oudste zoon is nogal rijk gezegend met sociale vaardigheden. Toen hij drie was, reisden we een paar maanden met hem door Nieuw-Zeeland. Iedereen waar hij Nederlands mee kon praten, was meteen z’n beste vriend – en dat waren vooral bejaarden in een camper. ‘Ik ga op bezoek, hoor’, zei hij dan, waarna we hem op theevisite terugvonden, genoeglijk keuvelend met mensen van rond de zeventig.

Glimmen

Deze kleuter ging dan ook niet verlegen aan mijn broek hangen toen we hem voor het eerst naar school brachten. Integendeel, hij had er maanden naar uitgekeken. ‘Ik heb nieuwe schoenen’, vertelde hij stralend aan de juf, waarna hij in de klas verdween om te spelen. Ik stond erbij te glimmen, want ja, dat stoere kind hoorde bij mij. Alles ging dus super.

De volgende ochtend maakte ik hem wakker. ‘Kom, je gaat naar school’, zei ik – ik dacht dat hij dat wel leuk zou vinden. Verontwaardigd keek hij me aan. ‘Ik ben al naar school geweest’, klonk het toen.

Wegrennen

Ik was verbijsterd. Eh ja?! Toen viel het kwartje. In al die maanden dat hij enthousiast toeleefde naar school, was ik vergeten om erbij te vertellen dat dit geen eenmalig avontuur was, maar dat hij er minstens de komende achttien jaar nog aan vast zou zitten. Als oudste kind had hij dat niet vanzelf meegekregen. En voor mij was het zó logisch dat ik er geen seconde aan gedacht heb om dat uit te leggen.

Hij had er ook helemaal geen zin in. Vanaf dat moment tot aan de zomervakantie (van mei tot juli) moest ik hem elke dag naar binnen slepen en aan de juf overhandigen – meestal lukte het hem toch om zich los te rukken en weg te rennen. Ik erachteraan, bescheten grijnzend naar de ouders die me tegemoet liepen met hun brave kinderen.

Ik ben al naar school geweest!

Het gebeurt me geregeld: juist dat wat zó ontzettend logisch is, vergeet ik te vertellen. Als ik het doorkrijg, moet ik altijd lachen. ‘Oh ja’, denk ik dan, ‘ik ben al naar school geweest.’

Dus welke communicatielessen kunnen we trekken?

* sommige dingen zijn voor jou zo logisch, dat je er niet aan denkt dat je ze moet toelichten;
* je kunt niet té vaak checken of je elkaar begrijpt en of je verwachtingen overeen komen;
* mis je informatie of ontstaan er misverstanden? Word niet meteen boos of geïrriteerd, maar ga op zoek naar de achterliggende oorzaak. Misschien is het wel ‘ik ben al naar school geweest’ en kun je er vervolgens samen om lachen.

Was het gemakkelijker geweest als ik de boodschap vollediger had overgebracht? “Als je vier bent ga je naar school, en daarna bijna elke dag tot je ongeveer twintig bent”. We zullen het nooit weten – maar het enthousiasme voor school is nooit meer geworden wat het die eerste dag was 😊.

Toch niet helemaal duidelijk

Na tien weken intensieve inname van corona-informatie voel ik me een corona-expert en draai ik mijn hand niet om voor gesprekken over aerosolen, de normering van mondkapjes en R0.

Totdat zoonlief ‘s ochtends wakker wordt met koorts. Mijn moederlijke hand is al onderweg om de temperatuur aan zijn voorhoofd af te meten als ik verschrikt terugdeins. Vanaf de drempel kijk ik naar het warrige dekbed en zijn klamme hoofd. Een snelle corona-check (moet je hoesten?) is vooralsnog negatief. Maar jongeren hebben lang niet altijd ernstige klachten, zegt de corona-expert in mij, dus dit zegt niet zoveel.

Koffie?
Ik schuif een glaasje water, kopje koffie (Zin in koffie? Betekent dat dat het meevalt? Geen idee), boterham en de thermometer om het hoekje. In de loop van de dag bellen we af en toe met elkaar. Hij vindt het wel relaxed zo in z’n eentje, met platenspeler en laptop.

Wat nu? Koorts betekent thuisblijven voor het hele gezin, zegt Rutte. Net nu de sporttraining weer was begonnen en ik mijn vader voor het eerst in 2,5 maand zou opzoeken. Zucht. ‘We kunnen dit, mam’ zegt nummer twee. Kwestie van mind-set; diep respect voor deze zestienjarige.

Maar hoe zit het precies? We kijken op internet. Als je 24 uur klachtenvrij bent, mag je naar buiten. Maar wat betekent het voor ons? Stel dat hij corona heeft, stel dat hij ons besmet heeft, hoe kunnen we dat weten? De incubatietijd van corona is twee tot twaalf dagen. Moeten wij zo lang binnen blijven? Het staat er niet met zoveel woorden.

Beteuterd
Op dag twee verschijnt onze patiënt in de woonkamer. Het werd toch wel saai, vindt ‘ie, dus geen kamerisolatie meer. Goed idee? Geen idee.

Op dag drie is de koorts weg.

Op dag vier zit hij ‘s middags naar de klok te kijken. Precies om tien over vijf is hij 24 uur koortsvrij. Hij trekt z’n jas aan, zwaait nog even vanuit de gang en weg is ‘ie.

Vader, moeder en broer blijven verward achter. We voelen ons een potentiële bio-bom en kijken beteuterd naar buiten.

Update: we zijn inmiddels een week verder en hebben gelukkig nergens last van. We doen weer normaal. Nou ja, nieuw normaal.

Communicatie-take aways

– zelfs als je denkt dat je het snapt, kan het toch nog weer net anders zijn.

– ook al is er soms sprake van verwarring, tegenstrijdigheden en correcties, ik wil graag een groot compliment uitdelen aan de communicatieprofessionals vanuit overheid en gezondheidsdiensten rondom deze coronacrisis. In een situatie waarin alles anders is dan ooit, maar onduidelijk hoe dan precies, zijn ze er in geslaagd intrinsieke motivatie voor gedragsverandering te creëren onder bijna de gehele bevolking. Wat een ongelooflijke prestatie!

– complimenten voor alle jongeren die zich aan de voorschriften houden. Leuk is anders, maar ‘we kunnen dit’. Respect!

Van vluchtelingenkamp naar Zuidas

Wat voor afslag heb ik genomen in mijn leven? Van linkse student met hennahaar in een oversized, zelfgebreide trui (zwart? ja dûh!) naar rokje-bloesje, van vluchtelingenkamp in de Ethiopische woestijn naar de Zuidas, van rurale ontwikkelingssociologie naar stedelijke gebiedsontwikkeling. Het is gemakkelijk om de verschillen tot hilarische proporties op te blazen, maar mij vielen vooral ook overeenkomsten op.

1. Passie voor je vak

Het is een genot om te luisteren naar mensen die verstand van zaken hebben en enthousiast zijn over hun werk. Ogen gaan stralen, handen meebewegen en er komen voorbeelden, nuances en forse uitdagingen met mogelijke oplossingen langs.

Dat geldt net zo goed voor mensen die hulp distribueren op enkele kilometers van de frontlinie met IS als voor mensen die sociaal-vriendelijke, klimaatneutrale wijken willen bouwen. Beide takken van sport zijn complex. Een professional geniet daarvan. En ik geniet ervan te mogen samenwerken met mensen die betrokken zijn bij en goed zijn in hun werk.

2. Mensenwerk

Alleen maar goedheid bij die idealisten in de hulpverlening en dollartekens in de ogen van de projectontwikkelaar? Nou nee. Gewone mensen eigenlijk. Zowel aan de positieve kant – humor, inzet, enthousiasme, aardig en behulpzaam -, als aan de wat lastige kant – niet iedereen is altijd aardig en onbaatzuchtig, zeg maar. Ook de kwetsbare kant is overal: onzekerheid, fouten maken en er soms gewoon even doorheen zitten. Hé, gewone mensen dus. Fijn eigenlijk.

Het kan aan mij liggen, maar de positieve kant zie ik het vaakst. Overal. De meeste mensen deugen. Althans, de meeste mensen deugen grotendeels.

3. Een betere wereld

Soms expliciet en soms tussen de regels door hoor ik de wens om bij te dragen aan een betere wereld. Een wereld waar vrede, recht en duurzaamheid gangbaar zijn. Waar een prettig huis en een plezierige, veilige omgeving voor iedereen normaal is. Waar we rekening houden met elkaar en leven op een manier die niet ten koste gaat van de aarde en niet inteert op de toekomst.

Maar ja. “Uiteindelijk is het natuurlijk alleen maar een gebouw”, verzuchtte de één. “Het is maar een druppel op de gloeiende plaat”, somberde de ander. Ja, als we zo beginnen kunnen we er net zo goed meteen mee ophouden.

Maar dat doen ze niet. Met een gezonde dosis realisme gaan ze toch door, gewoon, omdat het fijn is om je vak uit te oefenen en als je dan toch bezig bent, dan maar beter voor mooie , hoopvolle toekomstperspectieven. Met inzet van kwaliteiten, expertise en idealen. Op de puinhopen van Aleppo en aan de Zuidas.

Chaotische cocktail van copingstrategieën

Hoe reageer ik bij een pandemie? Ik viel mezelf niet mee. Tijd voor rust en bezinning? Pff. Ik werd gek van al die adviezen over thuiswerken, ritme handhaven, fit blijven en van al die ouders die hun can do-mentaliteit van de daken schreeuwden. Om negen uur ’s ochtends beginnen met wiskunde? Haha! Ofwel, niet bij mij thuis. Respect hoor, daar niet van. Maar hoe dan?

Eerst was er verlamming, buikpijn, onrust. Concentratieproblemen. Hysterisch de NOS-liveblog refreshen. Tussendoor proberen m’n opdrachtgevers tevreden te houden. Ze waren zelf ook in de war, dat leverde mooie, persoonlijke gesprekken op. Een heuse paniekaanval midden op de IJsselkade (sorry jongens, er is een pandemie, mag ik even?). Om twee uur ’s middags mijn eigen Excel-sheet met RIVM-cijfers bijwerken en de grafieken met mijn ogen naar beneden dwingen.

Toch maar even de dokter gebeld. Ik mocht langskomen, zei ze, want verder kwam er bijna niemand. Dus dat werd zowaar een soort uitje. Met enige hulp van de farmaceutische industrie werd de grootste paniek effectief onderdrukt. Ik weet niet zo goed wat ik daarvan vind, maar liever zo dan dat die hele pandemie aan me voorbij gaat omdat ik met een kussen over mijn hoofd in bed lig. Dat zou toch jammer zijn van deze unieke periode.

Mijn twee tienerkinderen liet ik volledig hun eigen gang gaan. Hen op sleeptouw nemen kon ik er niet bij hebben. Zij konden mij op hun nek er trouwens ook niet bij hebben. Er kwam weinig uit hun handen, maar ze koken allebei één keer in de week en het bleef wèl gezellig in huis. Geheel in lijn met mijn theorie dat we vooral moeten zorgen dat we hier heelhuids doorheen komen, de rest komt later wel. Maar dat is vooral een theorie die mezelf goed uitkomt. Of het inderdaad zo werkt, zullen we (zij vooral) later aan den lijve ondervinden.

En verder, in willekeurige volgorde en de ene activiteit net iets schadelijker dan de andere:

  • mijn kamerplanten verpot en allemaal geteld. Afhankelijk van de telmethode ergens tussen de 63 en de 82.
Geen alternatieve tekst opgegeven voor deze afbeelding
  • dansen op De Dijk, met teksten die heel profetisch bleken: ‘Straks is het verboden, of te laat om nog te gaan. Lief, trek iets moois aan, dan gaan we dansen, dansen, dansen op de vulkaan.’ En ik werd wakker in een vreemde wereld, wat gebeurt hier allemaal…
  • legpuzzels gemaakt. Stay at home-activiteit in optima forma.
Geen alternatieve tekst opgegeven voor deze afbeelding
  • veel met hond Puck gewandeld langs de IJssel. Tot ik een artikel las waarin stond dat veel honden nu afgesleten pootjes hebben, omdat iedereen z’n hond de hele tijd uitlaat. Ach gut, nou dat weer.
  • gebingewatched. De nieuwe afleveringen van Suits (oh Donna!), Tiger King (joehoe, lekker bizar), Messiah (mwah), De Twaalf en The Restaurant (allebei mooi gemaakt en fijn om te kijken), Unorthodox en Kalifat (aanraders) en toen met een perfecte timing seizoen 4 van La Casa de Papel (ik ben een fan van Nairobi / Alba Flores. Ze is ook fantastisch en ontroerend in Vis-a-Vis).
  • mijn kookboeken op kleur gesorteerd. Van de totale zinloosheid daarvan werd ik toch wel vrolijk.
Geen alternatieve tekst opgegeven voor deze afbeelding
  • in de digitale kroeg gezeten met vrienden in Noorwegen, Engeland en Duitsland als alternatief voor ons gezamenlijke weekend Berlijn. Aangeschoten naar bed met een grijns van oor tot oor.
  • een oude deur afgebrand en gebeitst. Supermooi geworden, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er vorig jaar september al mee was begonnen en dat ‘ie dus acht maanden verschrikkelijk in de weg heeft gestaan in de gang.
Geen alternatieve tekst opgegeven voor deze afbeelding
  • een meditatie-app gedownload en ik gebruik ‘m ook nog af en toe. Best wel oké eigenlijk, al kies ik altijd de kortste oefening uit efficiëntie-overwegingen :).
  • heel af en toe een stiekem sigaretje… en iets minder af en toe bier of wijn met kaas en olijven.

En toen… was het mei en realiseerde ik me dat die rare spanning helemaal weg was. Geen buikpijn, geen problemen met concentreren. Ik ben vrolijk. Ik kan weer langer dan vijf minuten achter elkaar lezen. Ik deed mijn administratie en ruimde mijn kantoor op. Ik volgde een paar interessante vakinhoudelijke webinars (bedankt, Logeion). Blijkbaar werkt mijn chaotische cocktail van copingstrategieën.

Of? Eigenlijk denk ik dat het verstrijken van de tijd het meeste werk heeft gedaan. Alles wat eng en onbekend was, is inmiddels vertrouwd. En dwars door alles heen blijkt het leven door te gaan. Met ups en downs, met nieuwe inzichten en oude bekenden en met een chaotische mix van constructieve en minder constructieve activiteiten. Eigenlijk zoals het was, met iets minder controle, meer besef van kwetsbaarheid en iets meer aandacht voor elkaar. Dat is zo verkeerd nog niet.

Communicatie is metselwerk

Communicatie is lucht, beargumenteerde ik laatst. Maar dat is wel erg ongrijpbaar en vluchtig. Binnen organisaties heeft communicatie natuurlijk niet zozeer de functie om iedereen in leven te houden, maar vooral om de boel stevig neer te zetten.

Een betere metafoor is daarom metselspecie. Al die prachtige stenen, al die functionele onderdelen, al die mooie ideeën over hoe het zou moeten zijn… Zonder specie stort de boel zo in elkaar.

Geen enkele metselaar laat trouwens de specie in een hoekje staan en stapelt de stenen droog op elkaar.

Toch gebeurt dat met communicatie nog wel eens. In de tijd dat ik als communicatiemedewerker werkte, zat ik letterlijk weggestopt. Eerst in een hoek zonder ramen, toen in de kelder, toen helemaal links achter in een eindeloos groot gebouw. Het was alsof ze zeiden: als jij nou communicatie doet, dan kunnen wij ons met de belangrijke zaken bezig houden. In mijn kleine hoekje zat ik ijverig te typen aan websiteberichten en magazineartikelen en iedereen was enorm tevreden. We deden aan communicatie, wat wilden we nog meer.

Ze communiceren zo slecht
Ondertussen verschenen er diverse onderzoeken over medewerkerstevredenheid en die lieten een zorgelijk beeld zien over het vertrouwen in het leiderschap en de verhoudingen tussen management en werkvloer. Ze communiceren zo slecht, was de verzuchting.

Hoe kon dat nou? Ik typte zo hard en ik produceerde zo lekker. Maar eigenlijk zat ik dus in mijn hoekje heel hard in de metselspecie te roeren, terwijl de rest van de organisatie de stenen wat ging opschudden en hergroeperen. Het volgende medewerkerstevredenheidsonderzoek liet alleen maar een daling zien in vertrouwen en leiderschap. Wat moesten we doen, nog harder aan die stenen schudden?

Nee natuurlijk. We moeten die stenen metselen! Zodat het een eenheid wordt, en stevig, en tegen een stootje kan. Entrez: communicatie!

Waar zit communicatie in jullie organisatie en wat zegt dat over de rol die communicatie wordt toegekend?

Communicatie is als lucht

Wat is communicatie?

Ooit ben ik ‘in de communicatie’ gerold, omdat ik als vrijwillige tekstschrijver voor ZOA werkte. Dat beviel blijkbaar zo goed, dat ze me uitnodigden te solliciteren op een communicatiefunctie. Schrijven, dat snapte ik wel, maar ik wist eigenlijk niet wat communicatie nog meer was. Gelukkig kende mijn vriendin iemand die ook communicatie ‘deed’, die mocht ik bellen.

Ik kreeg een verhaal vol actie. Campagnes, social media, evenementen, goodie bags. Ik schrok er een beetje van, want ik kon eigenlijk vooral goed stukjes schrijven. Maar goed, ik zou het vanzelf wel leren, dacht ik.

Alleen bleek die onduidelijkheid over wat communicatie nou eigenlijk is niet alleen bij mij voor onduidelijkheid te zorgen, maar ook bij mijn collega’s. Ik kreeg van alles op mijn bureau gegooid: van een Word-document dat er een beetje knap uit moest zien, de winnaars van de kleurwedstrijd kiezen, de overlijdenskaart van een betrokken vrijwilliger tot het jaarverslag in twee talen – alles werd op mijn bureau gegooid. Ook leuk om je onzeker en in de war te maken: alle artikelen en linkjes over briljante ideeën van collega-organisaties. ‘Moet je ’s kijken hoe leuk, is dat niets voor ons?’

Veel doen, nooit genoeg

Communicatie was in die dagen vooral heel veel doen maar nooit genoeg. Als een kip zonder kop achter deadlines aanrennen en dagelijkse hypes opvolgen. Ik vond het maar vermoeiend, chaotisch en onbevredigend.

Langzamerhand bouwde ik ervaring op en kreeg ik meer grip op wat ik zou kunnen doen en vooral waarom. Ik keek de kunst af bij ervaren vakgenoten en volgde opleidingen. Maar de omschrijving van wat communicatie is, bleef moeilijk.

Maar nu weet ik het. Communicatie is als lucht. Het is overal. Het is moeilijk om grip op te krijgen. Als het niet goed is, heeft iedereen er last van. En als het wel goed is, is het vanzelfsprekend en merk je het nauwelijks. Soms merk je pas dat het ergens benauwd is op het moment dat je naar buiten stapt en een grote hap frisse lucht binnenzuigt. Heerlijk! Zo verfrissend kan het zijn als er ineens toegankelijk, adequaat en open wordt gecommuniceerd.

En net als met slechte luchtkwaliteit kan slechte communicatie allerlei oorzaken hebben, die niet altijd meteen duidelijk zijn. Dus daar moet je naar zoeken.

Eens?

Communicatie als zondebok

Lekker makkelijk, hoor, communicatie als zondebok. De politie slaat met wapenstokken op demonstranten in, maar realiseert zich achteraf dat het niet zo’n goed idee was (Groningen, 29 augustus 2018). Gelukkig kan niemand er wat aan doen. Het was gewoon een communicatiefout. En wil degene opstaan die nog nooit een communicatiefout heeft gemaakt? Nou dan.

Maar wat was communicatiefout? Heeft iemand in een mailtje per ongeluk het woordje WEL getypt in plaats van NIET? ‘Het gebruik van de wapenstok is WEL toegestaan’. Of is er telefonisch contact geweest met een slechte lijn? “KGRKGRKRGKKERFFF wapenstok”. Oké, over en sluiten! Of waren de jongens die erop los sloegen zó lekker bezig dat ze even vergaten op hun commandant te letten, terwijl hij of zij duidelijk probeerde te maken dat ze moesten stoppen? Gewoon een kleine communicatiestoornis, dat kan de beste overkomen.

Mensenwerk
Beste politie, je hebt slechte communicatie en je hebt goede communicatie. Maar het zijn altijd mensen die dit middel gebruiken. Geef communicatie niet de schuld van het onnodig gebruik van geweld. Niet alleen is dat flauwekul, het staat ook een kritisch onderzoek in de weg van wat hier is gebeurd en wat je ervan kunt leren. Misschien brengt dat onderzoek pijnlijke zaken aan het licht, bijvoorbeeld blauw op straat dat al te enthousiast naar de wapenstok grijpt of leidinggevenden die geen overwicht hebben. Of een telefoonlijn die kraakt. Allemaal zaken waar je wat aan kan en moet doen.

De al te eenvoudige verwijzing naar communicatie als hoofdschuldige wekt weinig vertrouwen in het kritisch onderzoek dat naar dit incident zal plaatsvinden. Jammer.

Ik hoor graag meer voorbeelden van waar ‘slechte communicatie’ de schuld krijgt. Ben benieuwd!